Geschiedenis

In 1382 werd door de hertog Willem van Gelre het gemaal of molendwang in de kerspelen Beuningen en Weurt verpacht aan Robert van Appeltern, die in dat gebied reeds goederen van de hertog in leen hield. Deze leende het recht op de wind tegen betaling uit aan de eigenaar van de molen. Via de molendwang waren alle boeren in het graafschap verplicht hun graan te laten malen bij deze molen. In de tweede helft van de 15e eeuw was het kasteel te Beuningen, met onder meer een windmolen, een Egmonds leen. In 1465 werd dit door Willem van Egmond (heer van IJsselstein en Baer) uit het leenverband gelicht. Bezitter was toen Gijsbert van Welderen.
In de eerste helft van de 17e eeuw treden als eigenaren op jonker Adriaan van Bemmel en zijn echtgenote Aleida Maria van Ewijck, wanneer zij in 1643 aan Arent Janssen , gehuwd met Wendel Jacobs overdragen:

"de helffte van eenen dwanck wynt corenmeulen met de gerechtigheyt tot den wynt... en de toebehooren soo van touwen, bilhamers.. mitsgaders de helffte van een alde meulenroij en ass onder den meulen.."

De molen blijkt in 1699 in handen te zijn van Derck Gerritsen (molenaar in Beuningen) echtgenoot van Maria van Lindenholt, weduwe van Willem Hendrix.
Deze molenaar is nog eigenaar wanneer op 5 juni 1704 voor het gericht van Beuningen verschijnt meester Peter van Uijen (meulentimmerman tot Heumen) deze verklaarde:

"van Derck Gerrits, mulder tot Beuningen, ontfange te hebben de somme van duysent Caroliguldens tot opbouwinge van den neergewaeijde en omgevalle moolen tot Beuningen"

Na de dood van zijn vrouw werd de molen door Derck Gerrits, mede namens haar erfgenamen, waarbij kinderen uit haar eerste huwlijk met Willem Hendrix, in 1717 verkocht. De koper was Nicolaas François baron van Fagel (generaal en colonel van een regiment infanterie) aan wie werd overgedragen:

"eenen dwanck windcoorn-meulen metten wind ende gerechtigheid totten selven sampt meulenplaats met huys, hofstad, hoff en boomgaartjen. Voorts met allen sijnen rechten en toebehooren soo wel, dat die inwoonderen van Beuningen en Weurt op die meulen en anders nergens sullen moeten doen malen"

De nieuwe eigenaar stierf reeds in 1718, waarna de molen overging naar zijn erfgenaam Hendrik des Vilattes (overste luitenant ten dienste van desen staat, later heer van Gendt en Erlecom). Hij was gehuwd met Elisabeth Elsabeth van Eck van Panthaleon, dochter van Dirck baron van Eck en Panthaleon, vrijheer van Gendt en Erlecom en Catharina Fagel, zuster van baron van Fagel.
Des Vilattes was reeds enkele jaren, nadat hij de molen had verworven, in een geschil verwikkeld met de molenaar en pachter Derck Willems Heynen. Deze was een der kinderen uit het eertste huwlijk van Maria van Lindeholt, hierboven als molenaarsvrouw vermeld. Het betrof een kwestie over achterstallige pacht, die Derck niet wilde voldoen omdat z.i. het molenaarshuis niet goed was onderhouden. Door getuigenverklaringen kwam vast te staan dat het dak in 1720 nog geheel had open gelegen. Het was echter door timmerman Daenes Beeckman uit Nijmegen afdoende hersteld.
In 1730 ontstonden opnieuw moeilijkheden nadat de molenaar de pacht was opgezegd. Heynen werd nu ter verantwoording geroepen omdat hij een partij graan had gemalen op de molen in het naburige Keent. Hierdoor was nadeel berokkend aan de dwangmolen van Beuningen. Volgens de aanklacht had Heynen dit opzettelijk gedaan:

"apparent uit eene piequanterie dat gepaseerde mey een ander paghter in desselfs plaetse is gecoomen"

Heynen voerde hier tegen aan dat hij met Wijnand Weyer, de nieuwe pachter, had afgesproken dat een nog bij de molenaar in Keent liggende partij graan aldaar zou mogen malen. Daarna zou hij zijn graan geregeld in Beuningen afleveren. Hij meende verder dat Des Vilattes een onrechtmatige daad had begaan door zonder gerechtelijke machtiging het in Keent gemalen graan in beslag te laten nemen. Heynen wilde hiervoor schadevergoeding hebben.
Zijn verweer baatte niet. Op 13 september 1730 werd hij veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding en het erkennen van de molendwang. Hij kwam echter in verzet. Pas na 1732 kon een schikking worden getroffen waarbij hij de rechten van Des Vilattes erkende en zelf een schadevergoeding kreeg voor het verbeurde graan.
Des Vilattes overleed in 1759 waarna zijn erfgenamen in 1760 de molen verkochten aan Wolter Peters van den Oudenweyer, gehuwd met Hendrina Laayen. Toen Wolter in 1766 stierf vererfde de molen op zijn zoon Peter Wolters van den Oudenweyer, echtgenoot van Cornelia Cuppes. Door koop werd in 1789 Jan Bruysten, getrouwd met Jacoba Willems, eigenaar. In 1795 werd deze molendwang door Napoleon afgeschaft.

Omstreeks 1825 is de molen in handen gekomen van Stoffel van de Pol. Zijn familie heeft de molen nog tot 1980 in bezit gehad.

In 1980 kocht de gemeente Beuningen de molen voor 1 gulden en werd de molen gerestaureerd. Ook kreeg de molen voor het eerst een naam "de Haag", zoals het gebied waar de molen staat van oudsher genoemd wordt. Om windvang van de, inmiddels in een woonwijk gelegen, molen te verbeteren werd de molen tijdens de restauratie op een aarden verhoging geplaatst.

Inmiddels is de molen geheel in zijn oude glorie hersteld. Typerend voor "de Haag" zijn de fraai bewerkte kruisplaten. Het voormalige woonhuis van de molenaar met bakkerij en winkel, evenals het maalderijgebouwtje bij de molen zijn bewaard gebleven, wat het complex tot iets van grote waarde maakt. Zo'n geheel zien we bij overige standerdmolens in Nederland nergens meer.