algemeen
de standerd
de kast
de staart

 



Algemeen

De standerdmolen komt vooral voor in het zuiden van ons land. Al ten tijde van Floris V was er sprake van molens. Volgens deskundige wordt daarmee de standerdmolen bedoeld. De standerdmolen is alleen in gebruik als korenmolen en voor ander doeleinden eigenlijk ongeschikt. Reden hiervan is: de betrekkelijk kleine inwendige ruimte en het onstuimige karakter, vooral bij flinke wind.

De standerdmolen komt in drie varianten voor namelijk als open-, halfopen en gesloten standerdmolen, d.w.z. dat de standerd meer of minder afgedekt is bij de voet. In ons land, met zijn wisselvallige klimaat, is een onafgedekte standerd een vrij dure constructie wat betreft het onderhoud. Daarom werd hij van een afdekking voorzien en werd halfgesloten. Door er een muur omheen te bouwen werd de standerd geheel dichtgemaakt, gesloten dus. Daarbinnen ontstond zodoende een berging die door deuren toegankelijk was. Deze onderbouw kan vierkant, achthoekig en zelfs rond van vorm zijn. De Haag is een gesloten standerd met een achthoekige vorm.





 

 

 


de Standerd

De standerd is opgebouwd uit twee kruislings over elkaar liggende zware balken, de kruisplaten, die met de uiteinden op gemetselde stenen poeren ,ook wel teerlingen genoemd, rusten.
Tussen deze poeren en de kruisplaten zijn houten blokken aangebracht, de zonneblokken, minstens twee per eind.
Vertikaal over de kruispunt van de twee kruisplaten hangt, met diepe kepen, de zware vertikale standerd. Deze wordt door vier schuine schoren, de steekbanden, gesteund naar de einden van de kruisplaten.
De standerd rust op de steekbanden dus niet op het kruispunt van de kruisplaten.
Ongeveer halverwege de standerd is de zetel aangebracht. Hij bestaat uit een samenstel van houten balken dat met wiggen om het rond gemaakte bovendeel van de standerd, het gedeelte boven de steekbanden, vastgeklemd wordt.
Aan het bovenste eind van de standerd is een ronde pen gemaakt die het bovenste draaipunt vormt. De kast hangt, met een zware balk, de steenbalk, op deze pen en met een balkenkruis op de zetel. Het gewicht van de kast wordt via beide steunpunten op de standerd over gebracht. Door middel van de steekbanden en de zonneblokken wordt het gewicht uiteindelijk door de poeren opgenomen. De gewichtsverdeling is zodanig dat de helft tot een derde van het gewicht van de kast op elk van deze draaipunten rust.



 

 

de Kast


De hoeken van de kast worden gevormd door vier rechtop gaande, hoekstijlen aan de bovenzijde verbonden door de daklijsten en aan de onderkanten door de waterlijsten.
Aan de bovenvoorkant bevindt zich de tempelbalk en aan de bovenachterkant de achterbalk. Aan de onderzijde zorgen de vloerbalken samen met de twee korte berriebalken voor de verbinding. Deze laatste twee liggen in het midden. De vloer- en korte berriebalken zijn opgelegd op de lange berrie balken. In de bovenste helft, aan de zijkant, vinden we beide steenlijsten die samen met de steenbalk het belangrijkste constuctie element vormen. Zoals we gelezen hebben bij de standerd is dit een van de twee ophangpunten van de kast. De steenbalk wordt aan de zijkant ingesloten door twee spoorlijsten per zijde. De verbinding in het midden van de zijkant tussen steenbalk en daklijst noemen we kroonlijst. Om het scheluwtrekken van de zijkant te voorkomen zijn hierin diverse schuinstaande stijlen aangebracht, de weegbanden.
Aan de voorkant ca 80 cm boven de vloerbalk zit de steenbeddebalk, die o.a. fungeert als drager van de vloer voor de maalstenen. De buitenbedekking noemen we kleedhout. De voorzijde van de kast, de borst, bezit een vertikale stijl de borstnaald genoemd. Bovenop de daklijsten liggen weer enkele balken zoals de windpeluw, twee ijzerbalken, de penbalk en de achterbalk. Over dit alles geven de kapspanten vorm aan het geheel. In het bovenste gedeelte van de achtegevel is een afdak gemaakt waaronder het luiwerk ongeveer 80 cm buiten de gevel steekt. Dit afdak, de luikap of koekoek, is zodanig van constructie dat de as van het luiwerk hier nog een lagering heeft.


 


 


de Staart

Aangezien de vloer van een standerdmolen vrij hoog ligt heeft men een trap nodig alsmede een balkon. Het balkon ligt op de galerijbalken, vandaar dat men inplaats van balkon ook wel spreekt van galerij. De galerijbalken zijn bevestigd aan de vloerbalken en lopen uit in de achterzomer, een lange balk die tevens dienst doet als spruit. Hieraan zijn namelijk twee schoren bevestigd die naar de ondereinden van de trapbomen lopen. Deze twee trapbomen maken ook deel uit van de staart en zijn aan de bovenkant eveneens aan de achterzomer bevestigd. De zware staartbalk met een natuurlijke kromming is met het dikke eind tussen beide berriebalken vastgemaakt en wordt met de trap verbonden d.m.v. verticale balken, de non en de kandelaar. Hier tussen is de kruihaspel aangebracht. Dit alles te samen vormt de zware staartconstructie waardoor het kruien mogelijk wordt. Tevens dient dit alles als tegenwicht voor het wiekenkruis.

In verband hiermee wordt ook de kast min of meer uit het midden op de standerd gehangen. De hier omschreven constructie zou men “modern” kunnen noemen, want er komen nog ouder constructies voor waarbij de trapbomen doorlopen naar de hoekstijlen, ter hoogte van de tweede zolder, d.w.z. dat ze van onder naar boven steeds verder uit elkaar lopen en de trap dus steeds breder wordt. Beide schoren ontbreken dan.